WEIDEVERNIEUWING
- Wanneer vernieuwen?
Hoe kan worden bepaald of de oude zode nog voldoet? Wanneer wordt het rendabel om over te gaan tot herinzaai? Welk grasmengsel biedt dan de beste oogstzekerheid en opbrengststabiliteit, welke het beste rendement? Wat is het beste moment om nieuw in te zaaien?
Weidevernieuwing vormt de basis van een goede weide-uitbating. Gezien de huidige bemestingsnormen, is weidevernieuwing nog één van de weinige mogelijkheden om in te spelen op het productieniveau:
 |
- bij een tekort aan ruwvoer, kan bij een gelijkblijvende N-bemesting met hoog productieve mengsels meer
ruwvoer worden gewonnen
- in geval van voldoende ruwvoer, kunnen hoog productieve mengsels worden gebruikt om een gelijke
hoeveelheid te produceren, maar dan met een lagere bemesting
|
Goed verzorgd grasland is nog altijd de meest economische teelt. Daarom is het de moeite waard om veel aandacht te besteden aan de mengselkeuze en aan de uitbating gedurende de daarop volgende jaren. Op basis van de productiecapaciteit en de eigenschappen van de verschillende plantensoorten die in het minderwaardig grasland aanwezig zijn, is een aanzienlijke verhoging van de rendabiliteit te verwachten ten gevolge van vernieuwing met goede mengsels van gecertificeerd zaaizaad.
Nieuw inzaaien wordt noodzakelijk wanneer minder productieve grassoorten de bovenhand krijgen boven het gewenste Engels raaigras. Dit kan o.a. gebeuren bij:
 |
- een droge zomer
- een strenge winter
- niet aangepaste of slechte weide-uitbating
|
Een kennis over de hoedanigheid en kwaliteiten van goede, matige en slechte grassoorten is essentieel. Het al of niet aanwezig zijn van de onderstaande soorten bepaalt de kwaliteit van de weide.
Goede, matige en slechte grassoorten voor weide
| Goede grassen |
Matige grassen |
Slechte grassen |
Engels raaigras
Timothee
Beemdlangbloem
|
Veldbeemdgras
Kropaar
Ruwbeemdgras
Rietzwenkgras
|
Kweek
Witbol
Straatgras
Struisgras
Reukgras
Geknikte vossenstaart
Mannagras
|
- Indicatoren voor goed grasland
Goed grasland houdt niet alleen in dat de zode voor het grootste deel bestaat uit goede grassoorten, maar ook dat de minderwaardige grassoorten of onkruiden een bepaalde drempel niet overschrijden.
Onderstaande tabel geeft een aantal vuistregels.
| Plantensoorten |
Goed grasland |
| Goede grassen inclusief Engels raaigras |
> 75% |
| Engels raaigras |
> 60% |
| Kweekgras |
< 5% |
| Straatgras |
< 10% |
| Breedbladige (onkruiden), exclusief witte klaver |
weinig |
Ook zuiver economische overwegingen kunnen doen besluiten om tot herinzaai over te gaan. Het rendement van de investering is afhankelijk van de kostprijs en van de gerealiseerde meeropbrengst (kwantitatief en kwalitatief). Ervaring leert dat zelfs een goed onderhouden weide na 5 jaar uitbating, nog slechts 80% produceert t.o.v. een nieuw ingezaaide weide.
WEIDE-UITBATING
- Enkele basisprincipes over groei en ontwikkeling van gras
Weidegrassen bestaan uit een verzameling van scheuten die jaarlijks vernieuwen. Ze leven slechts één jaar. Omdat iedere generatie scheuten zijn eigen wortelstel ontwikkelt, blijft een grasplant eeuwig jong. De generatiewisseling van de scheuten valt in mei tot juni, met een verschil volgens de uitbating tussen maaien en grazen.
Grazen
Het aftoppen van de schietende overjarige scheuten (voorjaarsscheuten) gebeurt gespreid over verschillende graasbeurten. Ook wordt de levensduur van die voorjaarsscheuten verlengd door een vertraging van hun ontwikkeling. Die spreiding van het afsterven van voorjaarsscheuten heeft tot gevolg dat de nieuwe spruiten ruim de kans krijgen om zich te ontwikkelen, terwijl de oude generatie geleidelijk verdwijnt. Er is dus een overlapping van scheutgeneraties.
Maaien
De voorjaarsscheuten kunnen in het voorjaar ongehinderd in ontwikkeling gaan. Ze zuigen hierbij massaal alle koolhydraten naar zich en verstikken de opkomende vegetatieve spruitjes. Bij maaien vanaf 10 mei, zeker vanaf 15-20 mei, worden alle voorjaarsscheuten massaal en tegelijkertijd ‘onthoofd’, zonder dat er een nieuwe generatie scheuten klaar staat. Hergroei gebeurt nu vanaf de basisknoppen, gebruikmakend van de stoppelreserves. Omdat alle blad is verwijderd, is er immers geen fotosynthese meer. Daardoor ontstaat een generatiekloof, een midzomerdepressie in de grasgroei. Bij slechte uitbating kan dit leiden tot zomersterfte. De plant kent geen hergroei. Er blijft een kale plek over die wordt ingenomen door ongewenste planten.
Schematische voorstelling van de levens- en ontwikkelingscyclus van de grasscheuten,
gekoppeld aan de groeisnelheid van het gewas
Zowel bij begrazing als bij maaien, zullen de zomerscheuten fysiologisch totaal verschillen van de voorjaarsscheuten. Ze vertonen geen bloemaanleg (voor Engels raaigras), geen halmverlenging en hebben ook een zwakkere groeisnelheid dan het voorjaarsgras. Dit voorjaarsgras is natuurlijk dezelfde generatie scheuten die vóór de winter zomergras was, maar fysiologisch veranderde.
- Mengselkeuze
De keuze van het grasmengsel wordt bepaald door:
 |
- het beoogd toekomstig gebruik (overwegend begrazen of maaien)
- de intensiteit van de uitbating (veebezetting)
- de mate van bemesting (meer of minder N-gift)
|
Engels raaigras biedt een ideale combinatie van rassen met een verschillende doorschietdatum. De doorschietdatum bepaalt wanneer het meeste gras kan verwacht worden. Hoe vroeger die datum valt (hooitype), des te eerder kan begraasd worden of hoe zwaarder de eerste snede is (bij een zelfde maaidatum).
 |
- uitsluitend of overwegend maaien - vroege en halflate rassen
- begrazing in het voorjaar - halflate rassen
- uitsluitend of overwegend begrazing - halflate en late rassen
|
- Combinatie van verschillende doorschietdata
Bij de combinatie van de Engelse raaigrassen in een mengsel mogen de doorschietdata niet te ver uit elkaar liggen. Dit is vooral het geval wanneer er naar beweidingruimte per ras wordt gekeken. Onder beweidingruimte wordt verstaan de tijdsduur tussen het moment dat het gewas voldoende lang is om te benutten en het tijdstip van doorschieten (zowel in de eerste als in volgende sneden). Na het doorschieten nemen zowel bij beweiding als bij stalvoedering de smakelijkheid en de opname sterk af. Ook nemen dan de verliezen toe.
Bij jong gras zonder stengels (voorjaar) of een bladrijke graskuil met een VCOS (verteringscoëfficiënt van de organische stof) boven de 80%, kan dit leiden tot een rantsoen. De passagesnelheid in het verteringskanaal ligt te hoog en de vertering van de celwanden is onvolledig. De aanwezigheid van enkele stengels van tetraploïden in de voorjaarsweide is dan aan te raden.
Met een weidemengsel met verschillende groeipieken wordt maximaal geprofiteerd van de grasgroei. Bij vroege types is de beweidingruimte wel enger. Het inschakelen van een weidebloter is na het beweiden noodzakelijk. Is dit niet mogelijk, dan kunnen halflate en late types van Engels raaigras gebruikt worden met een maximaal verschil in doorschietdatum van ongeveer 14 dagen.
Een weidemengsel van rassen met verschillende groeipieken geeft een constantere grasproductie over het ganse groeiseizoen met een afgezwakte zomerdepressie.
Doorschietdata van grassen
Constantere productie door toepassing van rassen met verschillende doorschietdata
- Diploïden of tetraploïden
Tetraploïden bij Engels raaigras hebben een vlugge opkomst, een snellere groeihervatting na de winter en gemiddeld een lagere vatbaarheid voor roest. Ze worden over het algemeen korter afgegraasd dan diploïden, zodat namaaien of bloten minder frequent moet gebeuren. Ook gaan ze korter de winter in, wat de wintervastheid meestal ten goede komt. Doordat ze een wat minder gesloten zode vormen, zijn ze toleranter voor andere plantensoorten dan diploïde rassen.
In de praktijk worden tetraploïden meestal samen met diploïde rassen uitgezaaid. Zo wordt een goed gesloten zode en een goede grasopname verkregen. De tetraploïde rassen mogen dan duidelijk vroeger zijn dan de diploïden van het mengsel. In het voorjaar worden zij immers goed afgegraasd, zelfs als zij wat stengelig worden.
- Concurrentievermogen
Het concurrentievermogen van soorten of rassen wordt bepaald door:
- snelheid van opkomst en ontwikkeling
- standvastigheid
- ziekteresistentie
- betredingstolerantie
- wijze van uitbating
- grondsoort
Goede rassen van Engels raaigras zullen door de vlotte ontwikkeling en de goede standvastigheid soorten zoals beemdlangbloem en timothee vaak geleidelijk aan verdringen. Na een strenge winter kan timothee door zijn zeer goede wintervastheid een meerwaarde betekenen voor de graszode. In paardenmengsels kan veldbeemdgras gebruikt worden, aangezien paarden heel kort afgrazen. Bij maaien zullen timothee en beemdlangbloem iets meer naar voren komen dan bij beweiden.
- Mengsels in functie van stikstofgift en uitbating
Tijdige herinzaai van een oude laag productieve zode is, zeker in het kader van tijdelijke weiden, rendabel naar opbrengst. Daarnaast is het ook positief naar N-rendement. Weidevernieuwing biedt de mogelijkheid om de beschikbare stikstof beter en efficiënter te gebruiken. Niet alleen is de totale opbrengst van dit jong nieuw ingroeiend grasland hoger, ook is de kwaliteit beter. De eerste voorjaarssnede is vroeger en productiever, zeker na een wat hardere winter.
Een nieuwe weide op akkerland heeft het eerste jaar een extra N-behoefte. Weidevernieuwing en vooral tijdelijke weide in vruchtwisseling laat ook toe de stikstofaanwezigheid in de zode te recycleren en efficiënter te gebruiken. Daarmee kan de totale N-input in het volggewas verminderen.
De bemesting en, meer in het bijzonder, de N-gift bepalen in sterke mate de mengselkeuze (zie tabel).
Intensieve uitbating zal automatisch leiden tot een enkelvoudig mengsel. Door het sterk concurrerend vermogen van Engels raaigras bij een hogere N-gift, komen andere grassoorten vaak nauwelijks aan bod.
Bij een extensieve uitbating met minder dan 250 eenheden stikstof is een complex mengsel op zijn plaats, met beemdlangbloem en lammerstaart naast Engels raaigras. Ook kan klaver worden ingezaaid.
Mengselkeuze voor blijvend grasland
| |
Complex mengsel = extensief gebruik = < 250 eenheden N
Enkelvoudig mengsel = intensief gebruik = > 250 eenheden N
|
Overwegend begrazen
- Extensief gebruik:
- Intensief gebruik:
|
- Engels raaigras (halflaat / laat) + witte klaver (+ veldbeemdgras)
- Engels raaigras (halflaat) + timothee + beemdlangbloem + witte klaver (+ veldbeemdgras)
- Engels raaigras (halflaat)
|
Overwegend maaien
- Extensief gebruik:
- Intensief gebruik:
|
- Engels raaigras (vroeg en halflaat) + timothee + beemdlangbloem (+ veldbeemdgras)
- Engels raaigras (vroeg en halflaat)
|
Witte klaver is een vlinderbloemige die stikstof fixeert uit de lucht en aan de bodem ter beschikking stelt. Het levert een substantiële bijdrage aan de productie als het (Engels) raaigras minder groeit (juli-augustus) en verbetert de smakelijkheid.
Witte klaver is een moeilijk te beheersen weidecomponent. Bij overwegend maaien en bij minder gunstige groeiomstandigheden van het gras, kan het zich sterk uitbreiden. Reeds bij een matig aandeel witte klaver in het bestand worden, vanwege een verhoging van de productie, de extra zaaizaadkosten al goed gemaakt.
Complexe weidemengsels die timothee, beemdlangbloem, veldbeemdgras of witte klaver bevatten, moeten tijdig in de nazomer
(voor 1 september) worden gezaaid. Ondanks hun trage opkomst kunnen zij zich dan toch nog vestigen in de Engelse raaigraszode.
|